hoed
Website van Ben te Raa
Wat mij zoal interesseert
Foto's en verhalen van ver en dichtbij

Joegoslavie

Ergens op een heuvel in Istrië, Kroatië.



Het einde van Joegoslavië


Als Tito, staatshoofd voor het leven, in 1980 overlijdt is dat het einde van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië.


Tito heeft het Balkanland, dat bij zijn dood bestaat uit zeven deelrepublieken en bevolkt wordt door verschillende etniciteiten, na de Tweede Wereldoorlog tot stand gebracht, op dictatoriale wijze bijeen gehouden en gevrijwaard van inkapseling in het Oostblok. Maar Tito is dood, het Oostblok zal ophouden te bestaan, enkele deelrepublieken denken aan zelfstandigheid (zeg ze willen af van overheersing door de Serviërs en van de door Serviërs gedomineerde centrale regering in Belgrado) en het is afwachten totdat etnisch ressentiment en nog andere volkseigenaardigheden de kop opsteken.

Serven en Kroaten vormen de grootste bevolkingsgroepen van het Balkanland. De Serviërs zijn om historische redenen over de Balkan verspreid en zijn behalve in hun thuisland Servië met name ook in de deelrepublieken Kroatië en Bosnië-Herzegowina aanwezig. Een andere belangrijke bevolkingsgroep in Bosnië-Herzegowina wordt gevormd door de Kroaten en Bosniakken. Moslims vormen er een minderheid. In de deelrepubliek Kosovo wonen vooral Albanezen; in Kroatië vooral Kroaten. In Montenegro vooral Montenegrijnen en een kleiner aantal Serven. In Slovenië wonen Slovenen; in Macedonië met name Macedoniërs.

De politieke leiders van de twee noordelijke deelrepublieken Slovenië en Kroatië willen zelfstandigheid, via referenda en verkiezingen stemt de bevolking met veel enthousiasme in. De relatief rijke deelrepublieken vinden dat ze te veel geld moeten afdragen aan andere deelrepublieken. Voor Kroatië speelt mee dat ze in het dagelijkse leven worden overheerst door de Serviërs, ook al zijn ze minder in aantal. Een zelfstandig Kroatië betekent echter dat de Kroaten de Serviërs zullen overheersen. Volgens de journalist Misha Glenny, in zijn boek over de ondergang van Joegoslavië [Misha Glenny, De ondergang van Joegoslavië, 1992. Glenny is verslaggever in Oost-Europa, eerst voor de Guardian en daarna voor de BBC.] zou er nog wel wat te regelen zijn met de stedelijke Serviërs in Kroatië, maar niet met de Servische plattelandsbevolking in de deelrepubliek. Daar kan men zich lang stil houden maar als geconstateerd wordt dat een grens is overschreden zijn zij bereid ook zelf een grens te overschrijden. Hetzelfde geldt volgens Glenny voor Kroaten op het platteland.

Als Kroatië en Slovenië zich in 1991 zelfstandig verklaren worden de nieuwe staten prompt erkend door Duitsland en Duitsland haalt andere Europese landen over dat ook te doen, hoewel die zich in een eerder stadium tegen erkenning hebben uitgesproken. De actie van Duitsland om Kroatië te erkennen zet kwaad bloed bij de Serviërs (anders gezegd maakt oud ressentiment los, in het algemeen gesproken werkten de Kroaten in de oorlog samen met de Duitsers, de Serviërs vochten tegen Duitsers en Kroaten).
Het vuur begint te wakkeren. In het verweesde Balkanland kom je overal actieve nationalisten, heethoofden en haatzaaiers tegen en het bezit van wapens is weid verbreid.
Kleine voorvallen worden incidenten en incidenten worden gewelddadige gevechten.
Het eerste incident. Op 29 maart 1991 wordt het Kroatische management van het Nationaal Park Plitvicemeren verwijderd door de Servische Politie van Krajina en de paramilitaire Servische Witte Adelaars. Drie dagen later gaat de Kroatische politie het park binnen met het doel de Servische rebellen te verwijderen. Die laten een Kroatische politiebus in een hinderlaag lopen, waarna een gevecht volgt tussen beide partijen. Een Kroatische en een Servische politieman komen om het leven. Twintig andere mensen raken gewond; negenentwintig Servische paramilitairen en politiemensen worden gevangengenomen. Eén van hen is Goran Hadži, de latere president van de (tijdelijke) republiek Servisch Krajina. [Bron: Wikipedia]
Dat is het begin. De gevechten met politie-eenheden zullen in grote delen van het Balkanland opschalen naar gevechten tussen en met milities, reservisten, ongeregelde troepen en het federale Joegoslavische leger.
Dat leger is in omvang het vierde leger van Europa en wordt gedomineerd door Serviërs. Het moet in eerste instantie 'de orde handhaven' maar verandert in een strijdmacht dat vecht voor de Servische belangen. Die verandering wordt mede bepaald door de vele Servische beroepsofficieren, die weten dat ze hun baan zullen verliezen als verzelfstandiging van de deelrepublieken doorzet. En net als andere deelnemers aan het gewelddadige conflict begaat het Joegoslavische leger misdaden.
De strijd is ongekend. Glenny's boek bevat over de legitimiteit van de wetteloosheid een veelzeggend citaat van een reservist die in Bosnië is gemobiliseerd en die gelegerd is aan de frontlinie bij de Dalmatische kust: "Hij vertelde me hoe zijn commandant uit de oostelijke Vojvodina-stad Kikingen, voordat zijn soldaten een Kroatische vakantieplaats introkken, tegen hen schreeuwde: "Als ik iemand betrap op plunderen voordat ik klaar ben, schiet ik hem kapot."
En hier gaat het alleen maar om roven. Als eenmaal een dorp, stad of gebied is veroverd lijken de militaire commandanten toe te staan en zelfs aan te moedigen dat terreur wordt gebruikt, in de vorm van executies, moorden, folteringen en verkrachtingen, als beloning maar vooral om alle mogelijke verzet van de bevolking te voorkomen. Daar komen de massale moordpartijen nog bij, die ver buiten de conlictzone worden geduid als etnische zuiveringen, maar die (volgens Glenny) vooral gebaseerd zijn op herlevende wraakgevoelens voortkomend uit gebeurtenissen in het verleden, met name die plaatsvonden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
In het conflict spelen kleinere en grotere 'veldheren' een belangrijk rol. Hun politieke bazen hebben ze nauwelijks in de hand terwijl diezelfde politici ontkennen dat ze iets te maken hebben met de aanwezige troepen. Maar ze hebben dezelfde agenda: zoveel mogelijk territorium.
De strijd bereikt zijn hoogtepunt in Bosnië-Herzegowina. Als in huiskamers elders op de wereld op televisie beelden verschijnen van uitgehongerde mannen in gevangeniskampen en van een bloedbad onder burgers op een plein in Sarajewo, die in de rij staan om brood te kopen, is de verontwaardiging over het conflict, dat daarvoor ook al ongekend gewelddadig was, groot.
Er komen vanzelfsprekend sancties, waardoor vooral onschuldige burgers in het conflictgebied en in de omliggende landen worden getroffen terwijl, zoals gebruikelijk in dit soort situaties, anderen een vermogen verdienen door de sancties te ontduiken. De strafmaatregel treft vooral de Serviërs, want die zijn volgens de publieke opinie de schuldigen. Maar zo simpel ligt het niet op het Balkanschiereiland. In december 1992 en januari 1993 lanceren Moslims vanuit Sebrenica een offensief tegen de Serviërs. In veel van hun dorpen worden de Servische inwoners afgeslacht. De Serviërs, aanvankelijk in het nauw, drijven de Moslims met een verwoestende aanval terug naar Sebrenica. Niet veel later zullen Kroaten en Moslims met elkaar in gevecht raken. Het zijn maar enkele voorbeelden van de geweldsspiraal.
Het gewelddadige conflict komt in 1995 met het Verdrag van Dayton aan zijn einde. De laatste Joegoslavische deelrepubliek die zich zelfstandig verklaard is Kosovo in 2008. Voor wie niet zo bekend is met het songfestival, om alle zeven nieuwe landen nog een keer te noemen in volgorde van zelfstandigheid: Kroatië, Slovenië, Macedonië, Bosnië-Herzegovina, Montenegro, Servië en Kosovo.

Bezocht in mei 2017

Bosnië-Herzegovina (onafhankelijk 1992, 3,8 miljoen inwoners)
Kroatië (onafhankelijk 25 juni 1991; 4,4 miljoen iwoners)
Macedonië (onafhankelijk 1991, 0,7 miljoen inwoners)
Montenegro (onafhankelijk 3 juni 2006; 0,6 miljoen inwoners)
Republiek Servië (sinds 5 juni 2006; 7,2 miljoen inwoners)
Republiek Slovenië (onafhankelijk 25 juni 1991, 1,3 miljoen inwoners)
Kosovo (onafhankelijk 17 februari 2008; 1,7 miljoen inwoners)