hoed
Website van Ben te Raa
Wat mij zoal interesseert
Foto's en verhalen van ver en dichtbij




Van vuilstort en gifverbranding naar park


Op 3 maart 2004 is het Diemerpark voor het publiek geopend. Het heeft een bijzondere voorgeschiedenis.


Als aan het eind van de 19e eeuw het Merwedekanaal (later verbreed tot Amsterdam-Rijnkanaal) wordt aangelegd wordt de Diemerzeedijk, tussen De Diem en het IJ, een moeilijk toegankelijk gebied en kreeg het de naam Diemerbuitendijksche Polder.

Dit onbewoonde grensgebied van de gemeente Amsterdam ontwikkelt zich door de geïsoleerde ligging tot een weelderig natuurgebied.

Het wordt in 1957 bij het gereedkomen van de Schellingwoudebrug en de Amsterdamse Brug (in de wegverbinding van Amsterdam Oost over het IJ naar Amsterdam Noord) per auto bereikbaar. De locatie leek uitermate geschikt om vervelende problemen op te lossen.

Tussen 1951 en 1968 wordt in het gebied baggerslib gestort. Verbranden van chemisch afval vond plaats tussen 1961 en 1973. Bouw- en sloopafval vond zijn weg naar het gebied tussen 1962 en 1981. Huisvuil werd gestort tussen 1962 en 1983. De totale hoeveelheid afval die is gestort wordt geschat op 4 miljoen kubieke meter. De hoeveelheid chemisch afval die verbrand en weggelekt is bedraagt ongeveer 80.000 ton.

Op de Diemerzeedijk waren twee particuliere bedrijven actief. Firma Goede van afvalinzamelaar Joop Goede die het verbranden van chemisch afval voor zijn rekening nam en 'Afvalstortplaats De Griffioen' van aannemer Henk Griffioen, voor het storten. Ze hadden de benodigde vergunningen in hun bezit en dumpten en verbranden afval van bedrijven uit heel Europa.

Het verbranden van chemisch afval was niet zonder gevaar voor de betrokkenen. Vaak was onbekend wat de inhoud was. Zelfontbranding kwam voor. De vaten werden aangestoken vanaf een afstand en er werd geëxperimenteerd met methoden om het branden op gang te houden of te intensiveren.

Het branden vond plaats bij gunstige windrichting. Er werd telkens zo'n 1.000 tot 3.000 ton vloeibaar afval verbrand. Het restant vloeide in de grond weg. De brand ging gepaard met huizenhoge vlammen, explosies en rondvliegende tonnen.

Op de stortplaats voor puin werd zo nu en dan brandbaar afval verbrand. Bij gebrek aan alternatieve verwerkingsmogelijkheden werd dit gezien als overmacht en door de overheden gedoogd.

Het storten van huisvuil kam goed op gang na de strenge winter van 1963 toen het Amsterdamse huisvuil niet meer met boten naar de Volgelmeerpolder vervoerd kon worden.
In 1968 en 1976 werd respectievelijk de vuilverbranding en de vuilstort door de stadsreiniging van Amsterdam overgenomen.

Het stort van huisvuil, puin en slib heeft de bodem sterk verontreinigd met PAK, minerale olie, aromatische koolwaterstoffen, chloorkoolwaterstoffen, fenolen en zware metalen. Het zwaarst verontreinigd is het gebied waar chemisch afval werd verbrand. Daar zijn naast de al genoemde stoffen ook verhoogde gehalten aan PCB´s en dioxinen aangetroffen. Overigens ging het niet alleen om industriële afvalchemicaliën. In beslag genomen goederen als hasj en drank maar ook ziekenhuisafval en onkruidverdelgers vonden hun weg naar de Diemerzeedijk.

Halverwege de jaren zestig van de 20e ontstaat verzet. Zo uitte het bureau Watertoerisme van de ANWB in 1964 klachten over de vervuiling van de lucht boven het IJsselmeer. Het verbranden van chemische afvalstoffen werd in 1965 (in een antwoord op vragen van een gemeenteraadslid) gezien als slecht maar als minder slecht dan de alternatieven: illegale stort of lozen op het oppervlaktewater. Toch was er overlast door het branden (de gemeenten Diemen en Muiden klaagden vaak en lang tevergeefs bij grote buur Amsterdam) en dat was de aanleiding om het verbranden in 1973 definitief te beëindigen.

Op 28 november 1972 vond de laatste verbranding op de Diemerzeedijk plaats. Ook over de wijze waarop de gemeente met de brandplaats omging fronste menigeen de wenkbrauwen. De brandplaats werd vervolgens afgedekt met een laag vliegas van de Hemwegcentrale.

In 1979 keert het tij definitief als de provincie Noord-Holland Amsterdam maant de juiste vergunningen te verkrijgen. In 1982 stopt Amsterdam met het storten van afval na een aanwijzing van de provincie Noord-Holland, maar dat was toen niet van harte.

In 1989 voert Rijkswaterstaat een noodsanering uit om te voorkomen dat gif naar het IJmeer lekt. Er wordt dan al wel gestudeerd op saneringsmogelijkheden maar geldgebrek staat uitvoering in de weg. In september 1996, als de gemeenteraad van Amsterdam tot de aanleg van Ijburg beslist wordt besloten het probleem Diemerzeedijk aan te pakken.

Uit volkshuisvestings-gelden wordt een bedrag van 110 miljoen gulden vrijgemaakt. Maar een sanering wordt het niet. Het is te duur en te gevaarlijk om het afval weg te halen en het is te duur om het afval veilig te verwerken of ergens anders op te slaan. Het vuil ligt er dus nog steeds maar is nu 'ingepakt'.

Voor de inpakwerkzaamheden zijn 30 vergunningen verleend. De isolatie is uitgevoerd tussen april 1998 en juni 2001.
Over het afval is een omgekeerde reusachtige 'doos' in de grond gedrukt. Deze doos reikt tot in een dikke schone kleilaag. De kleilaag is van nature aanwezig, begint op een diepte van twintig meter beneden NAP en is ongeveer 5 meter dik. Zodoende wordt de vervuiling van onderen afgesloten.
De zijkant van de doos wordt gevormd door schermwanden van zestig centimeter meter dik, die om het hele gebied worden geplaatst. De schermwand is gemaakt van cement-bentoniet. Als extra afdichting is in de wand een kunstofscherm aangebracht. Bovenop wordt een afsluitende laag aangebracht.
Het deklagensysteem op het afval bestaat uit verschillende materialen en in totaal twee meter dik zijn. Het belangrijkste onderdeel om de verontreiniging aan de bovenzijde af te sluiten is een klei-achtige waterdichte laag, samengesteld uit zand, bentoniet en een polymeer. Daarop is schrale grond aangebracht met een dikte van 1,20 meter waarin planten en struiken kunnen groeien.

Het inpakken van het gebied alleen is niet voldoende. Om elk risico te vermijden dat verontreinigende stoffen naar buiten kunnen sijpelen, wordt het grondwaterpeil binnen de isolatie(doos) verlaagd.
Om dit te bereiken wordt vanuit twintig diepe putten op en diepte van ongeveer 17 meter grondwater opgepompt en gezuiverd. Na zuivering gaat het water met een persleiding naar de gemeentelijke waterzuivering waar het verder wordt behandeld en op het oppervlaktewater geloosd.
Stortgas dat ontstaat wordt afgezogen en in een installatie verbrand.

Tenslotte: het worden beheerst en gecontroleerd, voor altijd. En, parkbezoekers mogen niet graven.